Toen ik de meest hulpbehoevende kinderen voor ons huis ging zoeken, vertelde een Pastoor me over weeskinderen op het eiland Sumba ongeveer een uur vliegen ten zuiden van Bali. Ik vloog een uur en reed vervolgens nog een uur om een plek om te overnachten te vinden. De volgende ochtend reed ik een lang stuk over slechte wegen, op weg naar het dorp en mijn ochtendafspraak met het dorpshoofd. Toen ik daar aankwam, wist ik dat er iets mis was. Mannen droegen zwaarden en praatten opgewonden in de taal van het dorp. De vrouw van het dorpshoofd vertelde me dat hun dorp in een gevecht verwikkeld was met een ander dorp en dat ik onmiddellijk moest vertrekken en later terugkomen. Onderweg terug naar de plek waar ik verbleef, renden vrouwen, kinderen en oude mannen, allemaal met zwaarden bij zich, langs mijn auto, vluchtend voor hun leven. Ik bad tot God en vroeg om zijn genade en veiligheid. Ik kon die avond terugkeren naar het dorp om het dorpshoofd en zijn vrouw te ontmoeten. Het dorpshoofd was enorm dankbaar dat ik was gekomen. Hij vertelde dat veel mensen hun kinderen hadden verlaten door ze bij hem achter te laten en er vanuit gingen dat hij voor ze zou zorgen. Mijn hart ging uit naar de kinderen die ik die dag ontmoette. Ik regelde voor sommige kinderen van het eiland een overtocht met de veerboot naar Bali om in ons huis te komen wonen. Toen ik terugkwam op Bali van mijn reis naar Sumba, vertelde een vriend me dat Sumba een zeer primitief en soms ook zeer gevaarlijk eiland is en vond het een wonder dat ik veilig naar huis had weten terug te keren. Ik ben ervan overtuigd dat we deze kinderen hebben gered, niet alleen van armoede, maar ook van de dood. In april 2009 kwamen onze kinderen uit Sumba aan.